debataandemarktoverig
Welkom

Debat aan de Markt Enschede, debatcentrum voor Oost Nederland, is een platform voor Enschedeërs, maar ook voor burgers uit Twente, Overijssel en de Euregio om politieke en maatschappelijke vraagstukken dichter bij de burger te brengen.

Debat aan de Markt Enschede heeft verschillende locaties. Openbare Bibliotheek van Enschede, Prismare te Roombeek, Theater Concordia aan de Oude Markt in Enschede, Sint Josephkerk Enschede en Boekhandel Broekhuis Enschede zijn de belangrijkste. De naam van het debatcentrum is geïnspireerd door het stadcentrum de Oude Markt.


De volgende activiteit:

 

IS ZWARTE PIET RACISME OF CULTUREEL ERFGOED?

 

Wat doen we met de Zwarte Piet? De voorstanders hebben het over de nationale identiteit. De tegenstanders over het racisme. Is Zwarte Piet met kroeshaar, grote lippen en oorbellen een onschuldig kindervriendje of een product van het slavernijverleden? Wat zijn de bezwaren als de Piet niet meer zwart maar paars of rood is? Gaan we de Zwarte Piet drastisch aanpassen of juist niet aan tornen? Moet de mening van mensen die er anders naar kijken gehoord worden? Wat is het wezen van de democratie: de meerderheid beslist of respecteert de wensen van de minderheid?

 

 DEBAT AAN DE MARKT op zondag

 2 november 2014, 14.30-16.30 uur  

Bij Boekhandel Broekhuis, Marktstraat 12, Enschede 

  

Voorstanders en tegenstanders discussiëren en argumenteren met elkaar door middel van stellingen

       Voorzitter: Secil Arda, Debat aan de Markt

U bent van harte welkom! Entree is gratis.

Klik ook op programma

Verslag van het debat door hetnabijeoostennabijtwente:

zondag 2 november 2014

Zwartepieten met de blik naar het oosten

Op de naar alle waarschijnlijkheid laatste zomerse dag van het jaar vond in een hoekje van boekhandel Broekhuis met boeken over gouden en zilveren serviezen en andere kunstvoorwerpen uit het 17de en 18de eeuwse Europa het eerder aangekondigde “Debat aan de Markt” plaats over de Zwarte-Pietdiscussie. Een debat over een debat derhalve, waaraan slechts tien mensen deelnamen. Kwam dat door het mooie weer, was het te zeer een taboe-onderwerp of “gaat het nergens over”. Is het een typische “Randstedelijke discussiepiet” die we volgens een ingezonden brief in het Twents onafhankelijke weekblad “de Roskam” maar beter links kunnen laten liggen en waarin staat: "Het lijkt een exclusief probleem te zijn van de (grote) randstedelijke steden. Daarom vraag ik me af of we ons in het oosten, noorden en zuiden van Nederland iets moeten aantrekken van het "dictaat" van een kleine groep westerlingen. (...) Het probleem speelt hier niet of nauwelijks. (...) Laten we Nederland duidelijk maken dat ook wij hier in Twente recht hebben op onze eigen visie en geen inmenging accepteren vanuit een landsdeel dat zo vaak denigrerend neerkijkt op "de provincie"."

De discussie over Zwarte Piet heeft zelfs in deze “bij ons in Twente is er niet aan de hand”-bijdrage een sterk “wij-zij”-karakter gekregen. Volgens diverse analisten van deze discussie komt de grootste razernij bij voorstanders van Zwarte-Piet-zoals-hij-nu-is niet zozeer voort uit het feit dat donkergekleurde mensen er problemen mee hebben, maar dat in hun ogen hypercorrecte witte Nederlanders zich ermee zijn gaan bemoeien. Dat is pas echt bedreigend voor wat velen als een belangrijk onderdeel van onze nationale Nederlandse identiteit zien. Al eerder meenden velen die door-en-door Nederlandse traditie van Sinterklaas te moeten verdedigen tegen de vanuit Amerika oprukkende Kerstman. Onze Sinterklaas is toch veel statiger en folkloristischer dan zo’n dikke domme alleen maar “ho-ho-ho” roepende Kerstman? En dan zou onze eigen door-en-door-Nederlandse Sinterklaas nu plotseling niet deugen?

Tijdens het Debat aan de Markt wordt eerst al in twijfel getrokken hoe door-en-door-Nederlands die traditie eigenlijk is. Het Sinterklaasfeest bestaat al sinds de Middeleeuwen, maar Zwarte Piet is er pas rond 1850 bij gekomen. Na de Reformatie hebben de protestanten geprobeerd om dit katholieke feest te verbieden en één van de aanwezigen weet zich ook te herinneren dat het Sinterklaasfeest in het verzuilde Enschede lang niet in alle zuilen werd gevierd. In delen van Brabant en Limburg had men ook helemaal niets met Sinterklaas, zo weet een andere aanwezige te vertellen. Daar had men veel meer met de Kerstman die los van Amerikaanse invloeden in het aanpalende Duitsland ook centraal stond. En in sommige katholieke streken was Sint Maarten en niet Sint Nicolaas de grote kindervriend. Daar werd Sinterklaas als een karikatuur gezien. Sinterklaas als belangrijke drager van de Nederlandse cultuur is dus in belangrijke mate het gevolg van de toenemende behoefte om een eigen Nederlandse identiteit veilig te stellen en de felste voorvechters ervan zijn mensen die met deze identiteit worstelen. Ook in dit verband komt Wilders’ eigen half-Indische afkomt ter sprake. En waarom vraagt niemand zich af waarom Sinterklaas die bisschop in het huidige Turkije was, zo’n door-en-door witte man is?

De felheid van het debat heeft ook te maken met de beschuldiging van racisme die haaks staan op het gekoesterde zelfbeeld van de meeste Nederlanders, maar die misschien wel appelleren aan een latent schuldgevoel hierover. Zodra een Raad van Europa of een VN-commissie een rapport uitbrengt over racisme in Nederland, schiet de hele Nederlandse samenleving ook meteen in de verdediging. Kolonialisme, slavenhandel, Apartheid, het meewerken aan dejodenvervolging en de politionele acties vormen een aantal open zenuwen in de Nederlandse samenleving. Niet alleen gewone burgers gaan deze zaken liever uit de weg, maar ook de Nederlandse overheid toont zich nauwelijks bereid om deze zwarte bladzijden in de Nederlandse geschiedenis te erkennen en aandacht te geven aan het onrecht dat anderen nog steeds bij die gebeurtenissen of de doorwerking ervan ervaren. Daarom komt de discussie steeds weer in een andere vorm terug: rond de politionele acties, het slavernijmonument, de panelen over het koloniaal verleden op de Gouden Koets en nu dus rond Zwarte Piet.

Eén van de aanwezigen vergelijkt deze Nederlandse omgang met de zwarte bladzijden uit het verleden met de wijze waarop de Turkse regering de Armeensegenocide ontkent en om de Koerdische kwestie heen blijft draaien. De ontkenning van deze zaken staat een oplossing van hieraan gerelateerde problemen die zich in het huidige tijdsgewricht voordoen in de weg. De deelnemers aan het Debat aan de Markt zijn het erover eens dat die racisme-discussie en de discussie over de zwarte bladzijden uit het Nederlands verleden gevoerd moeten worden. Dàt, en niet, zoals de ingezonden brief in de Roskam bepleit, het feit dat we in Twente recht op een eigen visie op Zwarte Piet hebben, zouden we Nederland duidelijk moeten maken.

Dat deze in onze ogen terechte discussie nu echter Zwarte Piet als kapstok heeft aangegrepen, blijkt volgens ons echter contraproductief te werken. Dat de discussie nu over Zwarte Piet gaat leidt feitelijk af van het probleem waar het eigenlijk om gaat, namelijk over het alledaags racisme. In de NRC schreef Robert Vuijsje dat de discussie het omslagpunt kan zijn in de Nederlandse cultuur, namelijk de manifestatie dat de Nederlandse samenleving een andere, gemengdere samenstelling heeft gekregen. Maar, zo stelt één van de aanwezigen, culture uitingen als Zwarte Piet veranderen als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen, en maatschappelijke ontwikkelingen zet je niet in gang door van Zwarte Piet een Stroopwafelpiet te maken. Het is best mogelijk dat we over een aantal jaren helemaal gewend zijn aan anders gekleurde Pieten, maar dan als gevolg van een maatschappelijke verandering en niet als startpunt ervan. En dat betekent dat we niet alles van het Sinterklaasjournaal moeten verwachten, maar dat de politiek, de culturele sector, maar ook de samenleving als zodanig, autochtonen en allochtonen gezamenlijk, hun verantwoordelijkheid nemen. In plaats van een schisma in de Nederlandse samenleving te creëren zal een harmonisatie van onderop moeten groeien.

De twee bij het debat aanwezige Enschedese gemeenteraadsleden voelen weinig voor de suggesties om de burgemeester op te roepen Sinterklaas niet in de stad te ontvangen als zich in zijn gevolg nog Zwarte Pieten bevinden. Liever zouden zij zich dan op het voeren van dat noodzakelijke debat willen richten. Aan het eind van de zondagmiddag komt nog de juridisering van de discussie ter sprake. Rechters en nationale en internationale mensenrechtencommissies die degenen die Zwarte Piet als discriminatie beschouwen in het gelijk hebben gesteld. Die kant moeten we dus niet op, want dan gaat het weer om het symbool en niet om de onderliggende discussie. Anderzijds maken deze uitspraken wel duidelijk dat de tegenstanders van Zwarte Piet een punt hebben. Dat een VN-commissie meent zich ermee te kunnen bemoeien leidt tot verdeeldheid. De een is van mening dat de Verenigde Naties zich niet met onze cultuur moeten bemoeien, maar een ander wijst erop dat wij ons ook wel graag met “culturele tradities” in andere landen bemoeien en van mening zijn dat bepaaldeinternationale normen zonodig aan landen worden opgelegd.

Hoewel we het doorlopend redelijk met elkaar eens waren, laaide ook in dit gezelschap de discussie bij tijd en wijle hoog op. Wat daarbij hielp waren soms relativerende opmerkingen als dat iedereen toch zo rond z’n achtste verjaardag wel had gehoord dat Zwarte Piet helemaal niet bestaat…


Lees ook het verslag van het debat over discriminatie:

zondag 5 oktober 2014

Oorlogstemming in de eigen samenleving

Nederland is in oorlog met de Islamitische Staat in Irak en Syrië en deze oorlog heeft ook een binnenlandse component waar aan de kant maatregelen worden genomen tegen ISIS-sympathisanten en (ronselaars van) Nederlanders die aan de jihadistische strijd willen deelnemen, maar waar ook in toenemende mate (andere) moslims worden aangekeken en aangesproken op de daden van ISIS. Hoe dat doorwerkt naar discriminatie en uitsluiting van andersgelovigen en moslimsleek het thema te zijn van het vanmiddag gehouden “Debat aan de Markt”.
De inleiding werd gehouden door Marten Verheijen, senior klachtenconsulent van Artikel 1 Overijssel (voorheen het Antidiscriminatiebureau). Hij stelde dat “discriminatie” niet zomaar “onderscheid maken” is, maar dat de kern van discriminatie het teniet doen of aantasten van het samen leven op voet van gelijkheid is. Discriminatie is volgens artikel 90quater van het Wetboek van Strafrecht een misdrijf.

In het civiele recht is de Algemene Wet Gelijke Behandeling bepalend. En de in 2009 ingevoerde Wet op de Gemeentelijke Antidiscriminatie-voorzieningen bepaalde dat overal in het land een antidiscriminatie-voorziening moet zijn dit tot taak heeft om “onafhankelijke bijstand te verlenen aan personen bij de afwikkeling van hun klachten betreffende onderscheid als bedoeld in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) of discriminatie als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht”. In Overijssel is dat Artikel 1.

Discriminatie, zo stelt Marten Verheijen, doet zich vooral op de arbeidsmarkt voor, maar ook bij de verlening van goederen en diensten. Dat zijn juist de sectoren waar het kunnen samen leven op voet van gelijkheid ongeacht allerlei verschillen uitermate belangrijk is. Die verschillen zijn in deze sectoren niet alleen principieel ongewenst, maar ook kunnen ze belemmerend werken op ontwikkeling. Monoculturen zijn in het algemeen erg kwetsbaar en ontwikkelen zich niet, zo blijkt bijvoorbeeld in de biologie.
Uit de statistieken over de afgelopen drie jaar blijkt dat de meeste klachten discriminatie op grond van ras en nationaliteit gaan. Godsdienst speelt eigenlijk maar een beperkte rol. In ieder geval minder dan je zou verwachten. Maar dat kan aan de drempel liggen die juist voor de groep die het betreft tamelijk hoog zou kunnen zijn. De klachten over discriminatie op grond van godsdienst spelen ook met name op de arbeidsmarkt en betreffen dan mensen die worden afgewezen omdat ze een hoofddoek dragen. Het College voor de Rechten van de Mens (voorheen Commissie Gelijke Behandeling) heeft in tal van uitspraken bepaald dat dan niet mag, maar het gebeurt steeds weer.
We krijgen een verhaal hierover te horen van Qubra die te horen kreeg dat ze een bepaalde baan niet kreeg omdat ze een hoofddoek droeg. Daartoe aangezet door haar moeder heeft ze vervolgens een klacht ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens. De vertegenwoordigers van het bedrijf lieten weten dat iemand met het hoofddoek niet paste binnen de bedrijfscultuur van geëmancipeerde vrouwen, waarop Qubra had gezegd: “Hoe komt u erbij dat ik niet geëmancipeerd ben? Hier sta ik; ik heb een klacht tegen u ingediend en ben dit proces tegen u begonnen!” Natuurlijk heeft Qubra door dit alles niet alsnog de betreffende baan gekregen. Maar voor haar was de erkenning belangrijk dat haar onrecht was aangedaan en dat het College ook oordeelde dat de handelwijze van het bureau niet in de haak was. Marten Verheijen benadrukt dat die erkenning heel belangrijk is; voor veel mensen is het gesprek met Artikel 1 al voldoende. Ze voelen zich dan begrepen en erkend en dienen dan geen formele klacht meer in.
Hoewel het College voor de Rechten van de Mens geen straffen kan opleggen heeft een uitspraak wel effect op een schuldig bevonden bedrijf omdat deze uitspraak wordt gepubliceerd en het bedrijf dus wordt gebrandmerkt als discriminerend. Daadwerkelijke veranderingen worden pas op de langere termijn zichtbaar. Zo ziet Marten Verheijen een positieve ontwikkeling bij uitzendbureaus.
Maar, zo wordt opgemerkt, het brandmerken van bedrijven waardoor ze worden aangezet tot een ander beleid is wel afhankelijk van een maatschappelijke verandering waarin discriminatie op grond van bijvoorbeeld het dragen van een hoofddoek als verkeerd wordt ervaren. Als er maatschappelijke steun of begrip voor is, helpt het brandmerken niet echt.

Ontegenzeggelijk is onder invloed van de strijd tegen ISIS weer sprake van een negatievere houding jegens moslims. Zo maakte het Enschedese gemeenteraadslid Ayfer Koç een heel drama van islamitische jongeren die bij de tent van de hongerstakers zouden hebben verklaard ISIS-aanhanger te zijn. De burgemeester heeft het laten onderzoeken, maar kon er geen nadere aanwijzingen voor vinden. Wel werd vervolgens een moskee aan de Javastraat beklad, maar daar is verder geen ophef over gemaakt. Wel laten lokale politici zich negatief uit over de nieuw te bouwen moskee in Enschede, die volgens de vragensteller bijna woordelijk te vergelijken zijn met de bezwaren die protestants-christelijke politici 150 jaar geleden maakten toen in Enschede de Sint Jozefkerk werd gebouwd.

Marten Verheijen stelt dat opmerkingen van politici inderdaad een groot effect hebben op de verhouding tussen verschillende bevolkingsgroepen. De opmerking van Geert Wilders over “Minder Marokkanen” leidde tot een hausse aan klachten die duidelijk maakte dat mensen dachten “als hij het mag zeggen, dan mag ik het ook.” Ook de media leveren een belangrijke bijdrage aan beeldvorming en de neiging van mensen om anderen negatief te bejegenen. “Als moslima lees ik de krant niet meer,” laat Qubra in dit verband weten. Ze wordt keer op keer expliciet of impliciet vereenzelvigd met wat anderen zogenaamd in naam van de islam doen.

Met een verwijzing naar een eerder Debat aan de Markt waar het onderandere over de discriminatie van Indische Nederlanders in de jaren vijftig ging, vroeg voorzitter Secil Arda of er niet sprake is van steeds weer nieuwe groepen mensen die gediscrimineerd worden. Marten Verheijen kan dat alleen maar bevestigen. Sterker nog, sommige leden van eerder gediscrimineerde groepen, zoals Turken en Marokkanen, maken zich in een volgende fase schuldig aan discriminerende opmerkingen jegens de volgende groep, in dit geval Polen en Bulgaren.

Met een verwijzing naar recente maatschappelijke discussies over de Marokkanen-uitspraak van Geert Wilders, de Brabantse ondernemer die geen allochtone werknemers wilde hebben, Zwarte Piet, maar ook de discussies overhet genocidemonument in Almelo stelt Marten Verheijen dat het maatschappelijke debat over discriminatie volop gaande is. Met betrekking tot het laatstgenoemde voorbeeld kan hij zich ook nog herinneren dat een aantal jaren geleden letterlijk hier om de hoek bij de ingang van het arbeidsbureau een enorme knokpartij plaatsvond tussen Syrisch-Orthodoxe en Turks-Islamitische jongeren. Het bleek na nader onderzoek om de ontlading van een reeds langer spelende discussie op de verschillende scholen te zijn over het wel of niet erkennen van de genocide. Hij stelt dat toen niet begrepen te hebben en ook de ophef die er eerder dit jaar over het genocidemonument was niet te kunnen begrijpen. Het is al zolang geleden en elk land heeft zwarte bladzijden in zijn geschiedenis. Alsof Indonesische en Nederlandse jongeren met elkaar op de vuist zouden gaan in IJsland.

Ik gaf aan het wel te begrijpen. Duitsland heeft de genocide op de joden voluit erkend en daardoor kunnen Duitsers en joden weer redelijk door één deur. In Zuid-Afrika is een Commissie voor Waarheid en Verzoening geweest waardoor veel oud zeer is verwerkt. Maar Nederland heeft nog nooit haar misdaden in Indonesië voluit erkend en Turkije ontkent zelfs dat in 1915 genocide heeft plaatsgevonden. Dat leidt tot het nog steeds voortbestaan van oud zeer zowel bij de slachtoffers als bij de daders die niet met hun daderrol geconfronteerd willen worden. Marten Verheijen concludeert dat het dus om erkenning gaat, net zoals bij de Qubra die zich gediscrimineerd voelde door het bedrijf dat haar niet wilde aannemen vanwege haar hoofddoek.

De voorzitter vindt dit een mooie conclusie om mee te eindigen en kondigt aan dat het volgende Debat aan de Markt, op zondagmiddag 2 november, waarschijnlijk over Zwarte Piet zal gaan.


 Kijk ook naar het voedseldebat via You Tube: 

http://www.youtube.com/watch?v=yBwolO7--R4